woensdag 25 maart 2020

Het lot der bedroefden


Het is menselijk begaan te zijn met het lot van bedroefden: een deugd die iedereen siert, maar vooral toch degenen die zelf ooit naar troost hebben gehunkerd en hem bij sommigen ook hebben gevonden.


Giovanni Boccaccio schreef meer dan zes eeuwen geleden deze roerende woorden. In 1348 woedde er een hevige pestepidemie in Europa. Zowel zijn vader als zijn stiefmoeder overleefden de pandemie niet. Ook een aantal goede vrienden van de schrijver werden door de ziekte gegrepen. De ervaringen uit deze periode vinden hun neerslag in de verhalen van de Decamerone. Il Decamerone bestaat uit honderd novellen of kortverhalen. In het Italiaans betekent novella ‘nieuws’ of ‘nieuwtje’. De vertelling begint met de context van het boek: drie mannen en zeven vrouwen hebben zich voor tien dagen teruggetrokken in een villa in Fiesole, op de vlucht voor de pest. Tijdens die dagen vertellen ze elk één verhaal. Het romantische aspect hiervan spreekt aan, zo zie je her en der dergelijke initiatieven verschijnen. Van binnen zijn wij gelukkig diep menselijk gebleven.


Mensen zijn van oudsher verhalenvertellers. Wij zitten niet opgesloten in een landelijke villa, geïsoleerd en zonder nieuws van buitenaf, maar toch worden sociale media en het internet op dit moment overspoeld met verhalen. We grijpen terug naar wat dierbaar is, klampen ons vast aan wijsheden van weleer. We lezen meer of laten ons iets vertellen, staan letterlijk stil bij de dingen. Vaak gaat het leven te snel en krijgen we te veel prikkels. Het is dus goed om maar één ding tegelijk te doen. Dat houd ik mezelf wel vaker voor, met wisselend succes.


Echtgenoot en ik mijmeren vaak over later, als we oud zijn en op onze denkbeeldige veranda zitten met een goed glas wijn. Liefst in een schommelstoel, terugkijkend naar wat voorbij is en niet meer terugkomt. Dat klinkt negatiever dan het bedoeld is, maar het unieke van een herinnering is niet de honderden foto’s die je ervan hebt gemaakt. Het is de herinnering zelf, die een eigen leven begint te leven. Mijn belangrijkste beelden zitten diep vanbinnen en zijn gelaagd en door de tijd getekend.


Net als eeuwen geleden heeft Italië het op dit moment erg zwaar onder de epidemie. De piek is nog niet bereikt, het beest is nog niet bij het nekvel gegrepen. Nergens zijn er meer sterfgevallen dan daar. Maar de veerkracht blijft groot en opgeven is geen optie. De Italianen gaan deze beproeving met hun eigen bravoure te lijf. Sprezzatura betekent zoiets als moeiteloze gratie in het Italiaans. Het klinkt als de poëzie van Petrarca, een tijdgenoot van Boccaccio. In een land waar de taal als honing van de bloemen druipt, zal het tij ten goede keren. Nog nooit staken we zoveel handen naar elkaar uit, deden grenzen er niet meer toe en reageerden we op het lot van de bedroefden. Ook dat biedt troost, waar hoop heel even dreigt te verdwijnen. De Olympische vlam is dan misschien gedoofd, maar de hoop is gebleven.


Onze hunkering naar het gewone was nog nooit zo groot.

Kaartenhuis


Dochter maakt een huis van het kaartspel, dat op tafel ligt. Drie verdiepingen in een fragiel evenwicht. Het laat zien hoe broos ons leven is. Een mooi neveneffect van het virus is dat er meer dingen samen worden gedaan. Momenten samen hoeven niet haastig tussendoor, maar komen spontaner. Dat het geluk in kleine dingen zit, is geen loos credo. Dat weten wij al sinds 1 november 2012, toen dochter met spoed op intensieve zorg werd opgenomen, met als verdict diabetes mellitus type 1. Een week later hadden wij een voor en een na. Een evenwicht zoeken met een ziekte die haar eigen grillige weg loopt en suikerwaarden die hun eigen zin doen. Het leven is te kostbaar om het zomaar als los zand door onze vingers te laten glippen, dachten we. En we groeven dromen op die we altijd 'ooit' eens zouden gaan doen, als we meer tijd hadden. Dochterlief krabbelde overeind en wij vormen met haar en haar broer een kaartenhuis. Het is een werk in vele fasen, in vele stadia, met opbouw en afbraak. Flatten the curve is bij haar de realiteit van elke dag.

We houden stand, natuurlijk doen we dat. We doen elk ons ding. Kunst maken of bestuderen, een archief van binnen uit leren kennen en helemaal gebeten worden door de collectie van de 19de-eeuwse verzamelaar Goetghebuer. Waarom niet? Laatst vierden we zijn 232ste verjaardag met een grote taart. Een opleiding tot rij-instructeur volgen en de job van je leven vinden? Waarom niet? Een passie volgen en ervoor gaan, in zekere mate. Net als bij wandelen over een slappe koord is enkel het evenwicht van belang en hoe sneller je loopt, hoe moeilijker het wordt. Afremmen is echter lastig in zo'n tollende wereld. In deze periode hebben we niet zelf op de stopknop geduwd, dat hebben anderen voor ons gedaan. In de maanden voor deze crisis zagen we jongeren in opstand komen voor het klimaat, Greta Thunberg als de fragiele verbeelding daarvan. De bosbranden in Australië hebben onze ogen blijkbaar nog niet genoeg geopend. De Italianen, die zelf zo'n prachtig levenscredo hebben, het dolce far niente, zien nu vreselijk af. Soms kijken we niet naar het nieuws.

Laten we 'The good game' doen, zegt zoon soms, als iets even tegenzit. In de jeugdfilm Pollyanna probeert het hoofdpersonage in alle situaties het goede te zien, ook in de negatieve. Het glas is niet halfleeg, maar halfvol. Zulke momenten zijn nu schering en inslag. Dat kun je zien aan het zingen vanop balkons. Het applaudisseren voor de zorgsector. Kinderen die uitgelaten zwaaien naar opgesloten grootouders. Het humanitaire overstijgt grenzen, in de doos van Pandora is er nog steeds hoop aanwezig.
Zo krijg ik mails van leerlingen of hun taak misschien al verbeterd is, met snel daaronder: ik hoop dat alles goed gaat met u. Ik kijk hun taken na, hoop dat ze een luisterend oor hebben en mis het onderlinge geplaag en de onbehouwen schermutselingen van het schoolse leven.

Misschien stort ons kaartenhuis toch niet in elkaar?

maandag 23 maart 2020

Een grilig schaduwland


De nacht is donker en duurt te lang. Mijn hoofd is leeg, mijn geest doolt vermoeid door het huis. Ik heb vaker nachtmerries en slaap onrustig. Elke keer als ik wakker word, moet ik opstaan en wat water drinken. Het raam in de badkamer wordt verlicht door de gloed van de straatlantaarn tegenover het huis. Er is niemand op straat. In huis hoor ik de ademhalingen van mijn huisgenoten niet, maar ik weet dat ze er zijn en dat maakt een wereld van verschil. Ik ben niet alleen.


Soms blijf ik lezen tot diep in de nacht. Slaapdronken staar ik naar de letters die het verhaal in mijn hoofd ontvouwen, zoals een bloem zacht haar bloemblaadjes opent, langzaam, blad na blad, elk blad nog zacht natrillend. Ik slaak een diepe zucht en staar in dat troostende straatlantaarnlicht naar mijn spiegelbeeld. Ik ben niet alleen. Een citaat van C.S. Lewis valt me in. We read to know we're not alone. Het maakt me altijd rustig. Jack Lewis, zoals hij zich liet noemen, was een getroubleerde ziel die diep over de dingen nadacht. Zijn bekendste boeken zijn de kinderverhalen over Narnia, een wereld die zich achter de wand van een kledingkast bevindt. Ik hoor het citaat altijd met de stem van Anthony Hopkins, die hem in de film Shadowlands vertolkt.


De cijfers lagen vandaag iets lager dan anders, het dodental leek wat minder grimmig. De situatie mag nog niet hoopvol genoemd worden, zegt de wetenschapster met een blik vol hoop. We worden om de oren geslagen met valse of echte berichten over handschoenen dragen, hoe de supermarkt een slagveld geworden is, echte waarschuwingen over stoppen met hamsteren of grenzen proberen over te komen. Mondmaskers zijn er nu gelukkig wel - voorlopig nog genoeg - en dat doet me deugd: de zorg heeft het zwaar op dit moment, veel te zwaar. De einddatum van 5 april komt met aarzelende schreden dichterbij, maar of het genoeg zal zijn, weet niemand. In Nederland wordt het samenscholingsverbod verlengd tot 1 juni. Belgen zitten in het buitenland vast, in die wereldvreemde transitzone van een vlieghaven. Voetbaltrainingen in Engeland houden niet de verplichte afstand van anderhalve meter. Boris Johnson waarschuwt tevergeefs het Shakespearevolk, hier lapt een oude cafébazin de sluiting aan haar laars en langs grenssluipwegen plant men geen bloemen en struiken, maar betonblokken en ijzeren containers.


Zijn dit dan de schaduwlanden? De straat is nog altijd stil, het is dan ook nog maar twee uur. De kat steekt loom de straat over, dit is haar terrein, zij is meester der schaduwen. Waart hier dat virus rond, dat zich als een soort onzichtbare engel der wrake op ons wil storten, om alle plezier en levenslust uit ons weg te zuigen? We hebben het virus bij het nekvel, vertelde een expert op het nieuws. Ik beeld me een monster in dat spartelt en zich uit alle macht probeert los te rukken uit die greep.


Betalen wij nu de prijs voor wat wij op zonnige dagen gedachteloos als oneindig beschouwden?

Verveling


Het is nog vroeg, nog bijna niemand op straat. De lucht ruikt frisser, zuiverder, als ik het raam openzet. We staan op het gewone uur van de dag op, om het ritme van de week te blijven voelen. Rond acht uur is iedereen van het gezin aan het werk achter een pc. Zo goed mogelijk de opdrachten van de leerkrachten maken en doorsturen. Chatten en skypen en met klasgenoten, overleg plegen om dialogen in te spreken. Bezig zijn, vooral niet stilvallen. Anders voelt het een beetje aan alsof we spijbelen, toch? De hond sloft van de een naar de ander en weet niet goed in welke ruimte ze moet blijven: in de keuken waar ik taken nakijk, of in de huiskamer bij de zoon en de dochter. Dan gaat ze toch maar op de drempel tussen de twee ruimtes in liggen, loyaal aan iedereen. Stiekem wel blij met alle aandacht en de wandelingen die - we geven het toe - veelvuldiger zijn dan anders. 's Middags wordt er nu warm gekookt, wat de avond voor een stuk verlicht en ook de dagelijkse klussen zijn geroutineerder dan anders.


En toch.


Er gebeurt iets merkwaardigs op dit moment. De natuur beweegt en wij staan stil. Gedwongen werden wij uit ons haastige leven geschud en tot staan gebracht. We duizelen er nog steeds van en proberen te wennen aan de onverwachte rust, die als een soort vakantie aanvoelt, maar dat geenszins is. Om zeven uur stipt zitten we voor de televisie om de wereld een half uurtje binnen te laten. Sinds vorige week hebben we een digitaal abonnement op de krant. We betrappen onszelf af en toe op een moment van verveling, dat we dan gauw proberen op te vullen door iets nuttigs te doen, al was het maar stofzuigen. Of een restje afwas wegwerken.


Maar toch.



Verveling blijkt iets goeds te zijn. Dan doe ik iets wat ik anders nooit doe, zonder er al te diep over na te denken. Vandaag loop ik bijvoorbeeld tot helemaal achteraan in de tuin, waar een braakliggend stukje grond aan de wei paalt. Er staat een strakke wind. De tuin is nog niet opgeruimd, een klus die we ons altijd voornemen, maar waar we nooit toe komen. De serre moet opgeruimd worden, de borders uitgekuist, de moestuinbakken onkruidvrij gemaakt en hier en daar piept onkruid al tussen de kiezels van het terras. Maar dan vliegt een koolmees rakelings langs me heen. Ik volg hem met mijn ogen, terwijl hij vlak boven het wuivende gras van de wei scheert. Het gras lijkt wel een zee van groen. De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining. Ik blijf ernaar kijken, tot ik mee dein en de tijd verdwijnt. Ik moet denken aan Goethe, die zijn rust in Italië vond, het land waar de citroenbomen bloeien. Ik moet denken aan het schilderij van Caspar David Friedrich. De mens voor een overweldigend natuurlandschap.



Misschien moeten we toch maar eens uit die ivoren toren komen - na deze barre tijden.











© Inge Misschaert

zondag 22 maart 2020

Grenzen


De dagen lijken langer, de uren tikken trager. Het is zondagochtend en de wereld lijkt niet anders dan anders. Er staan veel auto's bij de bakker, waar mensen nog steeds buiten wachten. De sfeer is echter gespannen: af en toe stijgen stemmen hoog op. Tot een echte discussie komt het gelukkig niet. Afstand bewaren is ons mensen vreemd. Het voelt aan als de verkeerde jas. Het levert nog steeds bizarre situaties op. Gisteren zag ik twee kinderen op de fiets, ze droegen een zelfgemaakt mondkapje. De vader droeg er geen. Het was een schok en tegelijkertijd een geruststelling. Een daad van pure liefde.

De eigenaar van het tuincentrum in de buurt stuurt een berichtje dat hij dan toch toestemming krijgt van de gemeente om zijn planten bij mensen thuis te leveren. Ik bestel meteen viooltjes. Die kunnen straks de bloembakken voor het huis opfleuren. Zijn dat niet de voorbodes bij uitstek van betere tijden? Een viooltje groeit overal, in alle omstandigheden en kan de vriesprik die voor deze week voorspeld wordt best verdragen. De bloemen lijken op lachende gezichtjes en net als de zonnebloemen in Frankrijk volgen ze stuk voor stuk de zon. Hij kijkt opgelucht als hij ze levert, ik laat hem het wisselgeld houden. We houden voorzichtig afstand: hij zet ze neer en ik pak ze op als hij ver genoeg verwijderd is. We glimlachen wat meewarig en begrijpend. De bloemen staan onschuldig tussen ons in. Wat zonde als hij die zou moeten weggooien. Ik plant ze straks in bloembakken en hoop dat ze zich spontaan zullen uitzaaien, zoals vorig jaar. Zelfs in een klein beetje aarde tussen twee stenen wortelen ze zich. De natuur kent geen barrières. Volgende week zal ik nog een keer bestellen. Lavendels, of misschien is dat nog te vroeg?

Dagelijks lees ik de column die Ilja Leonard Pfeijffer voor een Nederlandse krant schrijft. De schrijver woont in Genua en bericht in een beklijvende tekst elke dag over de realiteit die zich momenteel in Italië afspeelt. Hallucinante beelden, slechts een paar grenzen van ons verwijderd. Het verhaal over een inderhaast georganiseerde begrafenis, waarbij de familieleden te laat op de hoogte werden gebracht, grijpt me naar de keel. Honden hebben het daar nog nooit zo goed gehad: dat is voor mensen in Lombardije een reden om nog naar buiten te mogen. De schrijver verlaat zijn huis af en toe voor boodschappen, maar nooit zonder mondkapje en zich altijd bewust van de risico's. Zijn observaties zijn vlijmscherp, zijn schrijfstijl tegelijkertijd een soort van troost. Ik leg Grand Hotel Europa klaar voor straks, na de middag.
De kat miauwt en rekt zich loom uit. Zij trekt zich van geen barrière iets aan en wandelt parmantig in en uit. Buiten de grenzen van onze tuinen strekt zich haar domein uit. Zij vraagt zich niet af, waarom wij nu zo vaak thuis zijn, eist enkel dat wij de deur open en dicht doen, als gewillige portiers tussen twee verschillende werelden.

Sinds gisteren zijn de grenzen van ons land gesloten.











© Inge Misschaert

zaterdag 21 maart 2020

Vijfhonderd woorden


De wereld is stiller dan anders. Vandaag begint de lente. Ik zie ze door het keukenraam naar binnen gluren. Buiten voel ik de winter nog in de lucht hangen. Er staat een koude wind die aan je oren bijt. Het is stil en dat komt niet doordat het vroeg dag is. In de straat rijden haast geen auto's, er zijn mondjesmaat fietsers en voetgangers lopen elkaar in een boog van anderhalve meter voorbij. Voor de bakker naast de deur staan de klanten verspreid, alsof ze daar achteloos zijn neergeplant. Door een hogere macht? Er hangt iets in de lucht en het is niet alleen de lente.

Een stille vijand zwerft door het land, houdt met geen grenzen rekening en slaat geruisloos toe. We sluipen het huis weer in na een wandeling die bijna verboden aanvoelt. Het huis omarmt ons, we zijn weer veilig. De wereld zal straks heel even, om zeven uur weer binnenkomen in een reeks getallen, die dagelijks dramatisch toenemen.

Vanochtend dronk ik koffie en dacht aan de groep Duitse toeristen die vandaag niet in het museum op mij stonden te wachten. De indrukwekkende Van Eyck Expo is al een week noodgedwongen dicht, net als zoveel andere musea hun deuren gesloten hebben. In gedachten wandel ik door de zalen die ik net 14 keer aan bezoekers liet zien. De wereld van Van Eyck schemert nu in halfduistere museumzalen. Tot vijf april moet onze wereld even op pauze. Ik heb de neiging om voortdurend mijn adem in te houden.

Het leven komt aarzelend tot stilstand. De virtuele wereld laat meer wandelend en fietsend volk zien dan in lange tijd het geval was. Na het schoolwerk worden hier spelletjes uit de kast gehaald. Er worden klusjes gedaan die al lang moesten gebeuren: een rekje aan de muur vijzen, de rozen in de tuin opbinden, het tuinhuis nog maar een keer uitmesten. Vanochtend gaf de wasmachine de geest. Twintig jaar dienst is goed gewerkt. Een nieuwe bestellen kostte drie klikken. De handwas staat nu al in de week. Dat is iets wat normaal gezien enkel op reis gebeurt.

Ik denk aan Zuid-Frankrijk en het huis van mijn oom en tante in de Lot-et-Garonne. Rust roest tussen glooiende velden met pruimenbomen, zonnebloemen en gedroogde ajuinen. Het liggen, het lezen, het rusten, het ontkurken van een fles Vin de merde, le vin des philosophes. Zo stil als het daar is, is het hier nu. Onwezenlijk stil: het moment waarop de schilder zijn penseel van het paneel haalt en met fronsende blik twijfelt of het genoeg is. Of het af is. Of het is geworden wat hij in zijn hoofd had.

Op dit moment buigen duizelingwekkend snel benoemde ministers zich over de nieuwe cijfers en vragen zich af of de piek al in zicht is. Witte lakens met zwarte woorden van dank wapperen langs huizen, iemand zingt met rauwe stem 'Mia' en in Venetië komen dolfijnen en zwanen zich in het zuivere water van de kanaaltjes nestelen.



Over vijf minuten gaat het nieuws beginnen. 

© Inge Misschaert




De draaglijke donkerte van ons bestaan

Onze rek wordt op de proef gesteld, ik voel het aan veel dingen. De tweede lockdown is nog lang niet teneinde en wat daarna komt, is v...