zondag 10 mei 2020

De vierkante tuin


Gisteren plantte ik de op de vensterbank opgekweekte courgette- en komkommerplantjes uit in de tuinbakken die echtgenoot had geïnstalleerd. Op het gazon, goed in het zicht. In tuintjes vroeger was het de gewoonte om bloemen en eetbare gewassen zo dicht mogelijk bij elkaar te zetten. Slim bedacht: de ene plant ondersteunt de andere en onkruid krijgt zo weinig kans. De cottagetuinen vind ik dan nog altijd veel mooier dan strak aangelegde gazons met enkel buxus en witte hydrangea. Laat de natuur maar haar gang gaan. Het meest dol ben ik echter op de volkstuintjes. Vaak rij ik daar langs, die patchworkdekens van netjes afgezoomde perkjes, waar iedereen een stukje kan verbouwen. Het is erfgoed en daarom vind ik het net zo leuk. Omdat moestuinieren nu weer een hot item is, zie je daar een mooie mix van jong en oud rondscharrelen. Het is een mooie afspiegeling van de maatschappij zoals ze hoort te zijn. De ouden leren de jongeren hoe het moet.

Jaren geleden al kocht ik het tuinboek van Jelle, die Nederlandse jongen van vijftien die in een vierkant tuintje begon te werken. Het was niet zijn idee, maar hij werkte het verder uit en zie, de jonge man is ondertussen al in de twintig en nog steeds aan het tuinieren. Ik vind het praktisch: het is mooi om te zien en je wint plaats. Bovendien heb je geen ellenlange vierkante meters om onkruid te gaan verwijderen, dat is nergens voor nodig. Niet alles lukt, maar het is leuk om te doen en met één of twee bakken heb je al heel veel oogst. Vandaag staan de boontjes op het programma, die ga ik voorzaaien op de vensterbank. Die bakken kun je gewoon in hout kopen of maken, maar je kan ze ook metselen. Zo hebben we er twee en naast het feit dat het goed werkt, brengt het ook structuur en dus rust in de tuin.

Met zo’n tuintje komt het begrip tijd en vooral geduld weer in je leven. Beiden zijn cruciaal. Je moet er de tijd voor nemen en je moet wat geduld hebben tot het zaadje kiemt, tot er een kleine spruit opkomt en tot je de eerste echte blaadjes ziet verschijnen. Het blijft wonderlijk om te zien hoe uit zo’n onooglijk klein bolletje zo’n grote plant tevoorschijn kan komen. Dochter probeerde veertien dagen geleden voor de zoveelste keer om een avocadopit te doen spruiten. Deze keer wikkelde ze gewoon de pitten gewassen en gepeld in een vochtig keukendoekje en verpakte dit in plastic. Nu, veertien dagen later is die pit gespleten en zie je een spruit zitten. Dat is dus geluk! We zijn er allebei zot blij om en dat is goed. Het zijn de eenvoudige dingen in het leven die ons moeten blijven verwonderen, die dingen die dicht bij de aarde zijn, dicht bij de kern van alles. Zelfs de zaadjes van de kastanjepompoen die ik overhield uit een gekocht exemplaar, hebben wortel geschoten.

Laten we allemaal weer een beetje meer wortel schieten.


zaterdag 9 mei 2020

Twintigduizend woorden


Twintigduizend woorden later, kijk ik met enige verwondering naar het afgedrukte stapeltje papier dat voor me ligt. Daar is hij dan. Mijn tweede thesis. Een werk van een jaar ligt voor me, nog warm van de printer. Het einde waar ik zo lang naar uitkeek, is er plots, te plots. Ik wik en weeg, ik twijfel en ik ben bijna opgelucht, omdat ik het laatste onderdeel nog niet grondig heb afgewerkt, omdat er nog een aantal bronnen zijn die ik nog niet grondig doornam, omdat er misschien nog wel vijftig voetnoten te kort zijn en omdat ik het besluit nog moet schrijven. Het is nog niet voorbij, ik mag nog. Een gevoel van opluchting stroomt door mij heen en doet me bijna opstijgen. Wat hou ik van mijn onderwerp – het lijkt een beetje op het lezen van een geliefd boek, met spijt wordt de laatste pagina omgedraaid, met een zucht het boek dichtgeklapt. We kennen de hoofdfiguren door en door, alsof het mensen van vlees en bloed zijn. Alsof we weten hoe ze voelen en hoe ze klinken, alsof ze zo uit het verhaal in het leven zouden kunnen stappen.



In mijn geval zijn het mensen van vlees en bloed. Goetghebuer en Van Wijnendale hebben echt bestaan, hebben door hetzelfde Gent gelopen, hebben op hun eigen manier daar de stad gekeken. Ze hebben mij in hun greep, ik ben gebeten om meer te weten, alles te achterhalen, hun stappen te achtervolgen. Als ik binnenkort weer door Gent wandel, zal ik niet één, maar twee schaduwen achter mij hebben en niet alleen met een 19de-eeuwse, maar ook met een 16de-eeuwse blik om mij heen kijken. Waarom zou je maar op één periode mogen focussen? Het is een vloek om veel interesses te hebben, ik kijk zijdelings even naar de cello die afwachtend op de grond naast mij staat. Straks online les en ik heb mijn Bachstukje vrij goed geoefend. Een technische vaardigheid, dat is een uitdaging, het is bijna een fysiek duel.



Het is misschien wel voorbestemd dat deze blog ook al uit meer dan twintigduizend woorden bestaat, vijfhonderd per keer. En dat ik twee keer niet heb geschreven, kwam omdat ik vast zat in een andere tijdzone. Ik moet me waarschijnlijk niet verontschuldigen, maar ik leg de lat altijd hoog, zeker voor mezelf. Is het wel goed genoeg, fluistert dat stemmetje in mijn hoofd, als ik naar dat onooglijke stapeltje papier kijk. Ik bekijk de tekeningen naast mij, die verschrikkelijk slechte zwartwit kopieën van wat een schilder vier eeuwen zo secuur op papier heeft gezet. En ik zie weer een detail, weer iets wat mij eerder niet was opgevallen en dan blader ik, al had ik mezelf voorgenomen om het niet te doen, om het te laten rusten, om het tijd te gunnen, dat het kan rijpen en onderwijl raast het verder in mijn hoofd, dat verhaal. Het laat me niet los, er is helemaal geen varkentje met een lange snuit op het einde.



Integendeel, het moet allemaal nog beginnen.



donderdag 7 mei 2020

Shine


Vanochtend was de kat er niet. Onmiddellijk sloeg de schrik me om het hart. Want de vorige keer dat dat gebeurde, met onze Lizzie, lag het arme beest dood op straat. Dus elke keer als Darcy een paar tellen te laat opdaagt voor zijn ochtendmaal van verse korrels en melk, ben ik ongerust. Katten, het is toch iets. We hebben er al een heel hoop de revue zien passeren. Nu het iets trager gaat op straat, zullen ze het misschien wel wat langer overleven. Onze straat is nogal druk bereden, het is geen steenweg, maar wel een verbindingsweg en dat levert veel te veel verkeer op.



Het was hoofdpijn en veel werk en een hoop andere dingen, die me tegenhielden om te schrijven. Niet dat ik niets te vertellen heb. Maar hoofdpijn zakt weg en het werk wordt gaandeweg aangepakt. Het zijn vreemde dagen. Ik droom van de meest vreemde dingen tegenwoordig. Van stadsschilders en wekkers niet niet afgaan, van een nieuwe wasmachine die niet meer opengaat, van lesgeven met een mondmasker op, van hekkens en stormrammen voor de deuren van winkels maandag.



Hoofdpijn of niet, ik zet de cd met Rachmaninov op. Het derde pianoconcerto vult mijn kamer en ik glimlach. Vijfentwintig jaar geleden zat ik op een zolderkamertje in Leuven aan mijn thesis te schrijven met net dezelfde muziek uit een gammel klein cd-spelertje. Ik hou van repetitie. Het bandje speelde ik steeds opnieuw af. Een cassettebandje nog, want een cd-speler had ik niet. Het derde pianoconcerto leerde ik kennen door met vriendinnen in de Leuvense cinema in de straat naar de film Shine te gaan kijken. We waren eigenlijk aan het wachten om naar een bal te gaan, maar dat begon pas tegen elf uur en we moesten ons tot zo lang zien bezig te houden. De film kroop helemaal onder mijn vel. Hij vertelt het levensverhaal van David Helfgott, een jonge pianist die lijdt onder de oorlogstrauma’s van zijn vader. Hij bezwijkt bijna aan een traumavolle jeugd, maar de muziek redt hem. Hij vindt op het einde toch nog het geluk. Ik had nadien geen zin meer in dat bal.



De hoofdpijn keert met regelmaat terug. Ik zit te lang achter mijn bureau, staar te gespannen naar het scherm. Maar dat is te voorkomen door af en toe eens mijn hoofd naar links en naar rechts te draaien. Af en toe ontspan ik, door wat Italiaans te oefenen met een computerprogramma. Of ik wandel door de tuin, waar nog steeds geen sprietje verkeerd groeit.



Schoolnieuws is er ook: de leerlingen van het zesde zien het zitten om een jaarboek te maken. Dat waren we van plan, voor corona roet in het eten strooide. Al de rest is weggevallen, maar dit kunnen we nog redden. Ik stuur mailtjes uit en krijg enthousiaste mails terug en ik glimlach. De klas van 2020 gaat niet zomaar in stilte afstuderen. En dat feestje achteraf voor alle geslaagden, dat komt er zeker nog.

Wij mensen gaan echt niet zomaar ten onder.

 De bronafbeelding bekijken

De draaglijke donkerte van ons bestaan

Onze rek wordt op de proef gesteld, ik voel het aan veel dingen. De tweede lockdown is nog lang niet teneinde en wat daarna komt, is v...