maandag 22 juni 2020

Muizenissen


Er zat een muis in huis. In mijn studeerkamer hoorde ik haar tekeer gaan in de isolatie. Op haar kamer hoorde dochterlief haar trippelen tussen het valse plafond. Af en toe rende ze een rondje of schoot nerveus heen en weer. Ik zag ze voor mij, als in een tekenfilm. Aangezien de kat daar nooit komt, zetten we een paar ouderwetse muizenvallen op zolder, met een klein stukje pure chocolade erin. Een muis heeft zo haar standaarden om in de val gelokt te worden. Gestommel en gevloek toen manlief de vallen op zolder installeerde. Een vinger op een verkeerde plek en de val klapt dicht. Proefondervindelijke ervaring heet dat. De muis roerde zich niet. Twee dagen nadien zat ze in de val. Meer bewijs van haar bestaan (en dat van haar uitgebreide familie) hadden wij niet nodig. We haalden er professionele hulp bij. Wat moet, moet, zegt mijn moeder altijd.

Mijn hart maakt de laatste tijd vreemde sprongen en dat heeft niets met de lente of de zomer te maken. Het heeft een medische naam, maar die ontschiet mij. Laten we het erop houden dat mijn hart het eentonige kloppen niet interessant genoeg vindt en er af en toe een extra beat in stopt. ‘Niets om je zorgen over te maken’, zegt mijn dokter. ‘Het kan door stress of door vermoeidheid komen.’ Ik pleit schuldig: beiden zijn mijn deel. Het is onherroepelijk en al eeuwen zo: ik probeer misschien wat veel ballen in de lucht te houden. ‘Alles moet maar niet zo leuk of interessant zijn,’ pruttel ik tegen als dochterlief me een strenge blik toestuurt.

Maar ik kan er niet genoeg van krijgen. Niet van kunst, niet van archieven, niet van Goetghebuer, niet van het gidsen, niet van school en ook niet van leuke projecten of schrijfopdrachten. En ja, de beste leerschool is nog altijd de ondervinding. En af en toe bots ik op een muur. De perfectionist in mezelf roert zich net zo heftig als de muis. Geen pure chocolade die dat gevoel kan veranderen. Maar ook dat is een ervaring die ik omarm. Niet alles lukt altijd van de eerste keer en kijk eens hoe de zon schijnt. Het is heerlijk rustig buiten en de tuintjes groeien als kool. Opgeven? Uiteraard niet.

De hond komt op mijn voeten liggen. Ik geef haar een aai en krijg een lik terug. Het avocadoplantje op de vensterbank volgt reikhalzend de zon en de kat kijkt me hooghartig aan, als ik niet meteen opsta om de hor van het schuifraam open te doen. ‘Dat kun je best zelf,’ zeg ik en de hond slaakt een diepe zucht. De kat draait zich om en gaat zich op de tuintafel uitgebreid wassen. Ik zie een mail binnenkomen: ik mag naar de tweede ronde voor het gidsen in een gloednieuw museum. Mijn hart maakt een sprongetje.

Als ik naar het schuifraam kijk, staat de hor een klein stukje open. De kat glipt langs mijn benen en gaat spinnend op de stoel naast mij liggen.


Playing Cat and Mouse by J. H. Dolph, (1835-1903).
 Spelende kat en muis, door J. H. Dolph, (1835-1903).

woensdag 3 juni 2020

Anderhalve meter van de eindmeet


Anderhalve meter. Twee woorden, die op dit moment een pijnlijk visuele connotatie krijgen. Het zijn geen onschuldige termen, zij staan voor de wereld waarin we vandaag leven. Markeringen op stoepen en op aulastoelen laten ons letterlijk voelen waar de onzichtbare grens ligt. We hebben die grens sinds 12 maart gedwee ondergaan. We bleven stilstaan, als bevroren beelden en volgden alle maatregelen netjes op. Want daarna zou het beter gaan, het zou stilaan worden losgelaten, naarmate de cijfers daalden. De cijfers zijn veelbelovend en de maatregelen worden versoepeld. We ademen weer en we her-leven. De impact ons leven is groot. Veel te groot. Voor alle studenten en leerlingen – en ook wat voor mezelf – dit pleidooi.

Het onderwijs veranderde van de ene op de andere dag compleet. Lessen gingen digitaal, cursussen werden bijgesteld en zowel studenten als docenten wrongen zich in bochten om van die laatste maanden een haalbare kaart te maken. De eindmeet was immers in zicht, zeker voor masterstudenten die zouden afstuderen. Archieven sloten, bibliotheken gingen dicht, maar de scandienst bracht redding. Deadlines werden bijgesteld en kaarten herschud. Online examens of examens in grote hallen met mondmaskers, de studenten draaiden er hun hand niet voor om. Sociaal contact werd beperkt en het echte studentenleven kon enkel viraal, maar goed, ook dat kon er wel bij.

Daarom net komt het bericht dat de proclamatie enkel digitaal zal verlopen bijzonder hard aan. Die boodschap komt ook veel te vroeg: midden in het blokproces. Het is die laatste klap, die er te veel aan is.

Anderhalve meter. Dat is vast en zeker te vergelijken met de stapel leerstof die de voorbije vier jaar op ons werd afgevuurd. Dikke syllabussen blokken, boeken lezen, kunstwerken uit het hoofd leren, papers schrijven en herschrijven en de stress van de masterproef als klapstuk in dat laatste jaar. Het is allemaal gelukt, omdat we ervoor gingen, omdat we de moed niet lieten zakken en omdat we dachten: die eindmeet is niet zo veraf meer. Anderhalve meter misschien.

De studenten zijn ontgoocheld. Uiteraard kan dit gewoon genegeerd worden. Ik pleit echter met klem voor het niet-negeren. Schrijf geschiedenis door een creatieve oplossing te bedenken. Durf mee te denken met studenten die bewezen hebben dat zij kritische geesten zijn en sterke argumenten kunnen bedenken, getuige de petitie die op Facebook circuleert.

Afstuderen is een feest, in toga en met een hoed. Het is op dat podium stappen en weten dat je het gehaald hebt. Het is een afronding van een lange studie, een sluitstuk, een apotheose. En dat moet samen, samen met medestudenten en de professoren en assistenten die ons daarbij hebben geholpen. Het is een lijfelijke aanwezigheid die je moet voelen, de energie die moet zinderen in een gezamenlijke ruimte: een aula, een expohal of zelfs gewoon buiten op het Sint-Pietersplein, waarom niet? Er kan echt geen sprake zijn van een virtuele plechtigheid, geloof ons vrij, we hebben de laatste tijd al genoeg hoofden op schermen gezien om er een generatie mee voort te kunnen.

Durf creatief te zijn.


vrijdag 29 mei 2020

Gravensteen


De wereld draait door. Ik geef het grif toe; de dagelijkse rush was voor de crisis groot, misschien zelfs te groot. Rennen en vliegen van hot naar her en eigenlijk niets echt goed zien of niet kunnen stilstaan bij dingen, dat is op de lange duur nefast voor elke feestvreugde. De nieuwe wereld moet anders worden, maar vooral langzamer, bedachtzamer. Het wordt dus tijd dat ook in deze blog de wereld groter wordt. We beginnen met een namiddag in de stad, waar we al een maand of twee niet meer zijn geweest. Als je daar wekelijks gemiddeld vijf keer rondloopt, is dat een groot verschil. Zoonlief komt bijna nooit in de stad en daarom nam ik hem bewust mee, nu dochterlief elke week twee keer naar school moet voor atelieropdrachten. Aangezien kunst en cultuur nu weer toegankelijker worden en zoonlief volgend jaar de opleiding geschiedenis gaat volgen, was de keuze snel gemaakt. Niets beters dan een namiddagje ronddwalen in het Gravensteen. Met mondmaskers op, maar zonder audiogids. Laat die geschiedenis maar vanzelf op ons afkomen. Het was ook niet de eerste keer dat we dit kasteel bezochten.



We dwaalden door zalen en beklommen de stenen wenteltrappen. Ik beeld me altijd in dat je dat met een lange middeleeuwse jurk doet en vraag me af of iemand ooit struikelde en viel. Het steen is echt een steen en ademt de sfeer van lang geleden, al doen de hedendaagse tekeningen van middeleeuwse scĆØnes wat afbreuk aan het verhaal – misschien omdat we recalcitrant de autogids niet wilden beluisteren. Grote, bijna niet te tillen zwaarden, maliĆ«nkolders, nierdolken, hakbijlen, maar geen goedendag, al verwachtten we die daar wel. De vergeetput vond ik als kind al eng, daar ga ik altijd op een geruime afstand vanaf staan. In de kapel viel het licht op ons en de rust daalde neer. Je kon de graven bijna zien neerknielen, biddend voor het oog van de strijd, of een moeilijke politieke beslissing, of wie weet, een pandemie die was uitgebroken. In de ruimte voor de kapel was het heerlijk koel en we zaten daar een halfuurtje in opperste stilte. Als je je ogen sloot, was je in de middeleeuwen – ware het niet van de slijpschijf van renovatiewerken verderop. We lazen in meegebrachte boeken (Salinger en Nabokov) en de wereld bleef een beetje stil hangen. De koele stenen verfristen ons lichaam, zelfs de tijdelijke allergie van zoonlief verdween er een beetje door. Het was het rustigste moment van de hele week, daar in die ruimte voor de kapel.



Rustiger dan de graslei, waar al het zittende volkje genadeloos werd weggewuifd door ordehandhavers. Waar je je bijna schuldig voelt als je op de hoek van de straat staat te wachten en nog maar een blokje om wandelt. Waar argwaan en argeloosheid elkaar afwisselen, mondmaskers je weer met de neus op de feiten drukken, want laten we wel wezen, het is nog niet voorbij, het beest nog niet getemd.



Dat magische uurtje rust in de kapel van het Gravensteen was goud waard.


De draaglijke donkerte van ons bestaan

Onze rek wordt op de proef gesteld, ik voel het aan veel dingen. De tweede lockdown is nog lang niet teneinde en wat daarna komt, is v...